Volkskunde van Curacao, Aruba en Bonaire

Paul Brenneker

Slavernij


Door: Paul Brenneker  | Publicatiedatum: SAMBUMBU Deel 10
Slavernij


‘Mijn grootvader was bomba van de slaven van Sabaneta; hij heette Mati Coba; in zijn slaap zei hij vaak: Sla ze!’
 
Aan de oostkant van de bergrug van Ronde Klip is een hol, waar Chawan in huisde; deze was wachter en moest de slaven die van Santa Barbara wegvluchtten om de noordkust te bereiken, opvangen.
 
Op Klein Santa Marta staat een boom, een heel oude, waaraan volgens de overlevering slaven werden opgehangen; je moet bij telefoonpaal 127 naar binnen. Ook op Aruba kent men een versie van het verhaal dat slaven wegvlogen naar hun moederland: Indianen klommen in een shimarucuboom en vlogen weg.
 
‘Mijn grootvader, slaaf op Sabaneta, droeg een ton schapevet alleen op zijn hoofd.’
 
‘Mijn schoonvader is als slaaf geboren en als vrije man gedoopt; hij werd net voor de vrijwording geboren.’ zegt de oude Jandi.
 
Didi vertelt. ‘Eens waren slaven bezig met het bouwen van een stenen omheining. Een van hen riep tot de ander: “Le serka ajú te bla, hum pa bo de te mi?” Hij zei hem: “Ik roep je te komen kijken hoe ze de koeien met een stok met spijker stoten; wat zullen ze dan wel met ons doen, wij die geen eetbaar vlees zijn? We moeten zien hier weg te komen.” Allen die geen zout hadden gegeten deden vrrrrrrr! en vlogen als een dikke wolk naar Bel’i Koro. Acht duizend die wel zout hadden gegeten bleven achter. De mannen die zout hadden gegeten en achterbleven, maakten pagaaien en verborgen die in de holen van de rotsen. Het waren 800 man. Er lag daar op San Nicolas een grote zoutbarkas, bari di laman genaamd. Met behulp van knoflook wisten ze de ketting stuk te branden. De 800 vrouwen bleven achter. Met zijn allen hieven ze toen de boot op en lieten hem in zee bij een steen, waar ze een groot stuk papier op bevestigden met de boodschap, dat ze van hier waren vertrokken. Die steen ligt er nog en wordt Pied’i Wantomba genoemd, steen der verdwijning.’
 
‘Een slaaf van San Nicolas vergezelde eens zijn vrouw, die ’s nachts met ezels, beladen met karnemelk, naar de stad moest. Op Seru Grandi ging een van de ezels er in de regen vandoor. De man heeft lang moeten zoeken en moest toen hard doorlopen om weer om zes uur aan het werk te zijn. De vrouw kwam natuurlijk te laat in de stad aan; ze was zwanger. Bij haar terugkomst op de plantage groef men een kuil om het kind te sparen; ze legden de vrouw met de buik in de kuil. Er waren daar zeven tamarindetakken, van die kromme, trosá. Ze trokken haar rok omhoog en sloegen haar op haar achterste totdat de takken stuk gingen. De man van die vrouw kwam toegelopen en zei tegen degene die de slagen toediende: “Kijk eens aan, meneer, God beware je, maar kun je niet een keer zacht slaan en de andere keren op de grond?” De man antwoordde: “Jij zegt dat? Ik zal de shon raad geven jou meteen te pakken en ook jou een pak slaag laten geven.” ’ Zo vertelt Didi.
 
Een oude man: ‘Mijn grootvader was slaaf op Wacawa; hij moest met een ezel naar de stad en dan een kuip vol kaas meevoeren en twee tonnetjes karnemelk.’
 
Een vrouw van 90, lang geleden: ‘Mijn vader was slaaf bij de joden van Scharloo, en zei altijd dat hij het goed had.’
 
De heuvel ten zuiden van het landhuis van Malpais was door slaven bewoond en heet Se Catibu, Slavenheuvel.
 
Een oude vrouw: ‘Op …

Om de volledige tekst te kunnen lezen dient u een gratis account aan te maken.